04 jun Evident kansloos bezwaar als misbruik van recht: een grens aan projectfrustratie
Het recht om bezwaar te maken tegen een vergunning is een essentieel onderdeel van de rechtsbescherming binnen het bestuursrecht. Belanghebbenden moeten immers de mogelijkheid hebben om besluiten van de overheid aan een onafhankelijke toets te onderwerpen. Maar wat als een bezwaar niet wordt ingezet om een besluit inhoudelijk aan te vechten, maar uitsluitend om een project te vertragen?
Die vraag stond centraal in een recente zaak waarin advocaat Tom van Dijk en advocaat Christiaan Geertman van FDJ Advocaten een projectontwikkelaar bijstonden. De voorzieningenrechter moest zich daarin buigen over de vraag of een bezwaar tegen een omgevingsvergunning nog kon worden beschouwd als een legitieme uitoefening van een procesrechtelijke bevoegdheid, of dat sprake was van misbruik van recht.
Een conflict dat niet wilde eindigen
De achtergrond van de zaak gaat terug naar de verkoop van een perceel grond aan een projectontwikkelaar. Na een periode van juridische geschillen bereikten de ontwikkelaar en de voormalige perceeleigenaren in 2021 een totaaloplossing. In een vaststellingsovereenkomst spraken partijen af elkaar finale kwijting te verlenen. Ook werd overeengekomen dat zij zich zouden onthouden van negatieve uitlatingen over elkaar en over de gebeurtenissen die tot de regeling hadden geleid.
Daarmee leek een definitief einde te zijn gekomen aan het conflict.
Dat bleek echter van korte duur. In 2023 deden de voormalige perceeleigenaren bij de gemeente opnieuw ernstige beschuldigingen aan het adres van de ontwikkelaar. Volgens hen zou de overdracht van de grond onder druk, chantage en bedreiging tot stand zijn gekomen. Daarnaast werden vraagtekens geplaatst bij de financiële afwikkeling van de transacties.
Voor deze beschuldigingen ontbrak iedere feitelijke onderbouwing. De ontwikkelaar zag zich daarom genoodzaakt een kort geding aanhangig te maken. De voorzieningenrechter stelde vast dat de beschuldigingen op geen enkele wijze waren bewezen en kwalificeerde de uitlatingen zowel als een schending van de vaststellingsovereenkomst als onrechtmatig handelen. De voormalige perceeleigenaren werden veroordeeld tot rectificatie en kregen een verbod opgelegd om zich opnieuw op vergelijkbare wijze uit te laten.[1]
Een nieuwe ronde: bezwaar tegen de vergunning
Begin 2026 laaide het conflict opnieuw op. Aan de ontwikkelaar werd een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een project op het betreffende perceel. Kort daarna diende een van de voormalige perceeleigenaren een bezwaarschrift in.
Volgens de ontwikkelaar vormde dit bezwaar in feite een herhaling van zetten. De bezwaren waren grotendeels gebaseerd op dezelfde verwijten die eerder al aan de orde waren geweest. Opnieuw werd gesteld dat de ontwikkelaar geen rechtmatige eigenaar van de gronden zou zijn geworden vanwege vermeende dwang tijdens de verkoop. Opnieuw ontbrak daarvoor iedere onderbouwing. Nieuw was wel het standpunt dat de voormalige perceeleigenaren de koopovereenkomst en de latere vaststellingsovereenkomst inmiddels buitengerechtelijk zouden hebben vernietigd.
De voorzieningenrechter maakte met dit verweer korte metten. In de vaststellingsovereenkomst hadden partijen immers uitdrukkelijk afstand gedaan van hun bevoegdheid om de overeenkomst te vernietigen of te ontbinden. Bovendien hadden de voormalige perceeleigenaren gedurende jaren geen enkele juridische actie ondernomen om de overeenkomsten aan te tasten.
Ook voor de ernstige beschuldigingen die aan de gestelde vernietiging ten grondslag werden gelegd, ontbrak ieder bewijs. Volgens de voorzieningenrechter bood het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de geschetste gang van zaken.
Daarmee kwam de kernvraag in beeld: was hier nog sprake van een legitiem bezwaar, of werd het procesrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is?
Wanneer wordt bezwaar maken misbruik van recht?
In beginsel staat het iedere belanghebbende vrij bezwaar te maken tegen een verleende omgevingsvergunning. Dat uitgangspunt vormt een fundamenteel onderdeel van het bestuursrechtelijke stelsel van rechtsbescherming.
Die bevoegdheid is echter niet onbeperkt. Onder bijzondere omstandigheden kan het gebruik van een procesrechtelijke bevoegdheid onrechtmatig zijn wegens misbruik van recht. Volgens vaste rechtspraak kan daarvan onder meer sprake zijn wanneer een procedure evident kansloos is en wordt gevoerd zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven is.[2]
Van belang is daarbij dat een evident kansloos bezwaar niet hetzelfde is als een bezwaar dat uiteindelijk inhoudelijk wordt afgewezen. Dat een partij juridisch ongelijk krijgt, betekent nog niet dat sprake is van misbruik van recht. De lat ligt aanzienlijk hoger. Het moet gaan om een bezwaar waarvan op voorhand duidelijk is dat het geen redelijke kans van slagen heeft.
Evident kansloos
In deze zaak kwam de voorzieningenrechter tot het oordeel dat die hoge drempel was bereikt.
De aangevoerde bezwaren waren gebaseerd op beschuldigingen die eerder al ongegrond waren bevonden. Nieuw bewijs ontbrak. Daarnaast stonden de stellingen haaks op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Onder deze omstandigheden kon het bezwaar volgens de voorzieningenrechter niet langer worden gezien als een normale uitoefening van het recht op bezwaar.
Het bezwaar werd daarom aangemerkt als evident kansloos en daarmee als misbruik van recht.
De rechter liet daarbij weinig ruimte voor twijfel: het bezwaar leek uitsluitend te zijn ingezet om de uitvoering van het project te vertragen.
Meer dan een bevel: artikel 3:300 BW als vangnet
De voorzieningenrechter beperkte zich niet tot het uitspreken van dit oordeel. Om de voortgang van het project daadwerkelijk veilig te stellen, werd de voormalige eigenaar bevolen het bezwaarschrift in te trekken.
Opvallend was dat de rechter daarnaast een extra waarborg inbouwde. Voor het geval de wederpartij niet vrijwillig aan het bevel zou voldoen, bepaalde de voorzieningenrechter dat het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht zou hebben als een rechtsgeldige akte tot intrekking van het bezwaar.
Dat is een verstrekkende maatregel. Waar een dwangsom slechts een financiële prikkel vormt om een veroordeling na te komen, maakt artikel 3:300 BW het mogelijk dat een rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van de noodzakelijke rechtshandeling. In de praktijk betekent dit dat de intrekking van het bezwaarschrift niet afhankelijk blijft van de medewerking van een partij die weigert aan een rechterlijk bevel gevolg te geven.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat het recht op bezwaar een belangrijk rechtsbeschermingsinstrument blijft, maar geen vrijbrief vormt om reeds beslechte geschillen opnieuw op te rakelen of projecten zonder reële juridische grondslag te frustreren.
Hoewel voor het aannemen van misbruik van recht een hoge drempel geldt, kan die grens worden overschreden wanneer een bezwaar evident kansloos is en uitsluitend wordt ingezet als obstructiemiddel. In dat geval kunnen de belangen van een vergunninghouder zwaarder wegen dan het belang van de bezwaarmaker bij het kunnen voortzetten van de procedure.
De voorzieningenrechter maakt met deze uitspraak duidelijk dat hij in dergelijke gevallen bereid is stevig in te grijpen. Niet alleen door een bezwaar te laten intrekken, maar zo nodig ook door ervoor te zorgen dat de voortgang van een project niet afhankelijk blijft van de medewerking van een wederpartij die weigert zich bij een rechterlijk oordeel neer te leggen.
Mocht u nadere informatie wensen, neem dan contact op met Christiaan Geertman of Tom van Dijk, tel. 070 358 89 90.
Link naar de uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10526&showbutton=true&keyword=watergeuskade&idx=3
(Rb. Den Haag 15 april, ECLI:NL:RBDHA:2026:10526)
[1] Rb. Den Haag 11 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12009.
[2] Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560.